Bijzonder aan de mens in vergelijking met andere diersoorten, is dat wij op twee benen kunnen staan en lopen. Dit wordt bipedie genoemd. Hierdoor hebben wij onze handen vrij en kunnen wij mede door onze flexibele rug bijvoorbeeld dansen en turnen. De keerzijde is dat de rug kwetsbaar is voor veroudering en aandoeningen, waardoor je moeilijker je balans kunt houden. Dit verhoogt de kans op vallen, valangst, fysiek letsel en immobiliteit.

Om te kunnen lopen moet je kunnen bewegen en je houding aan kunnen passen. Dit wordt onder andere aangestuurd vanuit het ruggenmerg. Hier bevinden zich centrale patroongeneratoren (CPG's). Dit zijn netwerken van zenuwcellen die zorgen voor automatische, ritmische bewegingen. Dit doen zij door de buigers en strekkers van de benen aan te sturen en het bewegen van de benen op elkaar af te stemmen. Het bijzondere van dit systeem is dat zij dit zonder input het brein kunnen doen. Hierdoor hoeven wij niet steeds over elke stap na te denken! Wel heeft het input nodig vanuit de hersenstam om te kunnen beginnen met lopen en de loopsnelheid te bepalen.
De kleine hersenen corrigeren verkeerde loopbewegingen en passen het looppatroon aan door te anticiperen op de omgeving.
Dan de basale kernen en het motorische hersenschors niet te vergeten. Zij passen het lopen bijvoorbeeld aan als we op oneffen ondergrond lopen.

Bij het lopen zijn de ogen belangrijk. Door te kijken kunnen we voorkomen dat we struikelen en weten we in welke richting we moeten lopen. We gebruiken ons evenwichtsorgaan, zeker als de ondergrond oneffen is, en de huid en spierspoeltjes om te weten waar we in de loopcyclus zitten.
Hogere hersenfuncties die betrokken zijn bij het lopen zijn:

Om zelfstandig te kunnen functioneren is het belangrijk dat we transfers kunnen maken. Dit zijn doelgerichte verplaatsingen van een positie of plek naar een andere. Opstaan, hogerop komen in bed of gaan zitten zijn hier voorbeelden van.

Dit is een moeilijke basisvaardigheid. Het vraagt onder meer om spierkracht, conditie, coördinatie en balans. Zo moeten de bovenbeen- en kuitspieren genoeg kracht kunnen leveren om het lichaam naar voor en boven te kunnen verplaatsen, en de hamstrings en voetheffers van het zwaaibeen in staat zijn de voet boven de trap te houden om te voorkomen dat je struikelt. Dit vraagt ook om input vanuit de ogen. Door ons zicht kunnen we de hoogte van de traptreden bepalen en zo de voet voldoende optillen en juist positioneren.
