Er zijn 3 componenten belangrijk voor het sturen van beweging:
De 3 punten beïnvloeden elkaar continue. Voorbeeld: een voetballer met een verzwikte linkerenkel (persoon) neemt een hoekschop (taak) op een pollenveld (omgeving). De voetballer zal door zijn blessure en de conditie van het veld de hoekschop anders nemen dan zonder letsel en een goed onderhouden veld. De persoon is uiteraard meer dan zijn fysieke gezondheid. Motorisch gedrag wordt ook bepaald door aandacht, verwerking van zintuigelijke info, motivatie, planning en ervaring.

Niveau: laag
Beweging: automatisch
Voorbeeld: terugtrekken arm bij pijn
Typerend: snel, onbewust
Betrokken structuren: ruggenmerg (RM), hersenstam
Niveau: midden
Voorbeeld: vaak voorkomende bewegingen zoals lopen, slikken, kauwen
Betrokken structuren: RM, hersenstam, klein hersenen, thalamus
Niveau: hoog
Betreft minder geautomatiseerde bewegingen
Voorbeeld: tekenen, ui snijden, sleutel in het slot steken
Vereist: o.a. aandacht, planning
Betrokken structuren: RM, hersenstam, thalamus, basale kernen, motorische hersenschors

Indeling gevoelssysteem
Proprioceptie vanuit:
Exteroceptie vanuit:
Door gewrichtsreceptoren kunnen we bemerken wat de stand van de armen en benen is. De spieren bevatten spierspoeltjes, welke gevoelig zijn voor rek. Door deze sensoren kan overrekking worden voorkomen en bewegingen worden gemonitord. De huid is rijk aan mechanoreceptoren. Dit zijn zintuigcellen die positie en druk meten.
Route doorgeven signalen
Beide signalen gaan via de achterstrengen van het ruggenmerg naar de hersenstam. Laag in de hersenstam kruizen de banen en gaan ze door naar de thalamus, waar het eindigt in het somatosensorische schors, het gevoelscentrum van het brein.
Ogen
Om te kunnen bewegen gebruiken we ook de ogen. Hiermee kunnen we onze houding, het lopen en arm- & handbewegingen aanpassen. De signalen worden via de thalamus, het schakelstation van het brein, naar de visuele schors achterin de schedel geleid. Hier worden de signalen van het rechter gezichtsveld in de linker hersenhelft verwerkt en vice versa.
Evenwichtsorgaan
Bestaat uit: 3 halfcirkelvormige kanaaltjes
Type sensor: rotatieversnellingsmeters
Het maakt dat we hoofdbewegingen en de positie van het hoofd kunnen waarnemen. Hiermee kunnen we onze houding sturen en ogen stabiliseren als ons hoofd beweegt.

Waar de opstijgende signalen belangrijk zijn voor het gevoel zijn de afdalen signalen belangrijk voor de sturing van beweging.
Schorsgebieden
Te beginnen bij de motorische hersenschors. Die krijgt informatie aangereikt vanuit: de kleine hersenen, de basale kernen en associatiegebieden. In het laatst genoemde gebied wordt alle zintuigelijke informatie verwerkt.
De primaire motorische schors stuurt de fijne motoriek & lokale beweging van een gewricht.
Hiervoor stuurt het signalen naar de spieren. Om hier te komen reizen de signalen vanuit de motorische schors door capsula interna naar de hersenstam. Daar kruisen de (piramide)banen onderin de hersenstam van het verlengde merg, genaamd de medulla oblongata. Van daaruit gaat het naar de zijstreng, de tractus corticospinalis lateralis om de bewegingszenuwcellen van de arm- en beenspieren te kunnen bereiken. De primaire motorische schors is het meest gericht op de onderarmen en -benen. In geval de piramidebaan is aangedaan, bijvoorbeeld door een beroerte, verklaart dit waarom de lichaamsuitersten meer zijn aangedaan dan de rest van het lijf.
De supplementaire motorische schors (SMA) krijgt informatie vanuit de basale kernen en houdt zich bezig met bewegingen waar geen uitwendige prikkels voor nodig zijn. Een bijzonderheid aan de SMA is dat het zijn werk kan doen zonder inmenging vanuit de primaire motorische schors. In de revalidatie wordt hier gebruik van gemaakt tijdens training middels motorische verbeelding, het denken aan bewegingen, om motorisch herstel te bevorderen. Een voorbeeld van een ziekte waarbij de SMA verstoord is is Parkinson. Door een tekort aan dopamine wordt de SMA te weinig geactiveerd, wat o.a. problemen geeft in het starten van een beweging.
De kleine hersenen, ook wel cerebellum genoemd, is een deel van het brein dat achterin het hoofd onder de grote hersenen zit. Het vergelijkt de werkelijke beweging met de geplande beweging waardoor deze kan worden bijgestuurd. Bij schade aan het cerebellum ontstaat er een coördinatiestoornis: cerebellaire ataxie. Ontstaat dit door het ontbreken van gevoelsinformatie, bijvoorbeeld door een probleem in de achterstreng van het ruggenmerg? Dan komt dit tot uiting bij het sluiten van de ogen, zoals bij de proef van Romberg. Dit wordt sensore ataxie genoemd. Naast bewegingscoördinatie is cerebellum betrokken bij taal, emoties, oogbewegingen en geheugen. Kortom, een multifunctioneel beestje!
Als laatst mag de hersenstam niet worden vergeten. Die houdt zich op motorisch vlak bezig met:
